Deus ex machina

afb. werk van Bob Bonies

Het is een drukte van belang bij de opening van Ode aan strak 3 in de tentoonstellingsruimte van Rob de Vries in Haarlem. Niet echt het moment om in alle stilte te genieten van wat de tentoonstelling dit keer te bieden heeft, maar het weerzien van een aantal bekenden is ook een heel prettige ervaring. Kunst geeft een blik op – soms bovenaardse – schoonheid, maar het verbindt ook mensen hier ter plekke. Dus een week later weer de gang naar de galerie gemaakt en toen stil genoten van kunst in het kwadraat. Het is het binnentreden in een groot kunstwerk – het universum van de galeriehouder -, waarbinnen weer sterren schitteren in hun verschijningsvorm van lijn, vlak en kleur.

Vincent Icke, de Leidse hoogleraar Astrofysica, vertelde op de radio gepassioneerd over het ontstaan van ons heelal en de betekenis daarvan voor onze aarde. Naslagwerk leert mij dat er gedurende honderden miljoenen jaren een ‘kabbelende’ rust heerste; slechts duizendste seconden van zeer groot geweld zorgden voor wat de oerknal is gaan heten. Sterren explodeerden en lieten hun ‘sterrenstof’ de bouwstenen zijn van al het leven op aarde. Geen explosies zoals wij die kennen in een bepaalde lege ruimte. Er zou geen sprake zijn van een bestaande ruimte. De ontwikkeling van het heelal veronderstelt een beweging van de ruimte en niet door de ruimte. Er heerste op dat moment in het heelal een bijna volledig evenwicht. Stil was het toen. Nog nooit was het zo stil. Er was slechts een soort ‘witte ruis’, die waarschijnlijk ontstond door elementaire deeltjes. Uit die deeltjes, ruimte en tijd is uiteindelijk ons heelal opgebouwd.

In de nis van de gang hangt een wandsculptuur van Sjoerd Buisman. Het is een Gesloten Silphiumspiraal. In den beginne, zou je bijna zeggen, de grondvorm van leven. De spiraal lijkt de mogelijkheid tot mathematische vormgeving te onderzoeken. Toch blijft het een open organisch werk, dat als je goed kijkt wel van moedernatuur een vierkant karakter heeft meegekregen. Verderop in de gang het werk van Florette Dijkstra. Een stap verder. De tekentafel. Twee werktekeningen van een ‘lege’ ruimte, met kleine potloodlijntjes gedetailleerd uitgewerkt, die ons opnieuw laten nadenken over de vormgeving van wat we van oorsprong abstract-concreet werk noemen. Als je dan de grote expositieruimte binnengaat, zie je links aan de muur twee schilderijen van Antoon Erftemeijer. De lijn bepaalt het vlak. De kleur doet zijn intrede. Compositie 24 straalt een volledig evenwicht uit, overgaand in Compositie 25 waar de kleurige vierkanten het witte doek weer lijken te verlaten op zoek naar een nieuwe verschijningsvorm in de ruimte. Die lijken ze te vinden op het witte schilderslinnen van Bob Bonies. Rode vierkanten, buiten het kader tredend en balancerend op de toppen van hun kunnen, fragmenteren en verdwijnen weer achter je om hun reis door de ruimte te vervolgen. Dan, als je je omdraait, links en rechts het geconcentreerde werk van Ditty Ketting. Kleuren groeperen zich en vinden – met behulp van een begrenzende lijnvoering – hun eigen vrijheid binnen de beperking van het schildersdoek. Het universum is te vinden in een zandkorrel, zegt ze in het blad Pandora, dus je hoeft niet de hele wereld binnen te halen. Vanuit dat perspectief zie ik als deus ex machina rechts op de grond een sculptuur van Piet Tuytel; een groen gespoten stalen IPE profielbalk die dreigt te kantelen, maar wordt tegengehouden door een langwerpige blauwe strip van profielplaat. Een grensverleggend geschenk uit de hemel dat verwijst naar de lijnen van gekleurd vinyltape op de achterkant van de wand waarop de grote Bonies hangt. Het stopt hier niet in deze galerieruimte, lijkt het werk van Tuytel te zeggen. We moeten verder, op zoek naar nieuw leven, een nieuwe ruimte, een nieuwe tijd.

door Pim Burger

Posted in Spotlight

Garden of order

Nog niet zolang geleden teruggekeerd uit Venetië. Het was de eerste keer dat ik deze stad en zijn Biënnale bezocht. Ik logeerde op het Lido en had zo de gelegenheid om elke dag via het water de stad te naderen. Het kenmerkende stadsbeeld met het Dogepaleis en de klokkentoren bij de  basiliek van San Marco doemt dan langzaam op, waardoor je steeds weer het spannende gevoel krijgt iets nieuws te gaan beleven. Nieuwsgierig zijn naar wat komen gaat, blijft een onmisbaar onderdeel van het leven.

We verbleven daar met z’n vieren. Eén van ons had de rol van leidsman op zich genomen en leidde ons op voortreffelijke wijze door de stad met zijn vele facetten. Naast de drukte van het San Marcoplein de stilte van de Joodse wijk, naast de weidsheid van de Biënnale de geconcentreerdheid van de Guggenheimcollectie, naast de overweldigende aanblik op de stad vanaf het Canal Grande het stille water rondom  de eilanden Burano en Torcello, naast de uitbundige Popartkunst in het Palazzo Grassi de ingetogen Oosterse sfeer in het Palazzo Bembo, naast een snelle pizzapunt onderweg ’s avonds een rustig etentje in restaurant Africa, naast het weldadige Rietveldpaviljoen het dichtgespijkerde Grand Hôtel des Baines waar Death in Venice is opgenomen en Mulisch regelmatig zijn intrek nam.

Wat voor werk zou Piet Tuytel gemaakt hebben als hij in Venetië was geboren en niet in Alblasserdam? Zou hij naar Giambattista Tiepolo hebben gekeken in de Gallerie dell’Accademia en besloten hebben geen hemelfietser te worden?

Venetië heeft een geschiedenis die teruggaat tot de tijd van het Romeinse Rijk en pas een grotere nederzetting werd door de toestroom van vluchtelingen in de 9e eeuw. Alblasserdam ontstond in de 13e eeuw door het afdammen van de rivier de Alblas. Venetië ligt in een lagune met alle bedreigingen van wassend water, waartegen men de nieuwste methoden inzet om de stad niet aan het water te verliezen. Alblasserdam ligt in de Alblasserwaard, een veenweidegebied beneden de zeespiegel waar men inmiddels de bescherming heeft gevonden van ringdijken,sloten en vaarten, molens en afwateringsboezems.

Ik heb de gelegenheid het werk van Tuytel weer eens op mijn gemak bij galerie Rob de Vries te aanschouwen. Ik vind het oorspronkelijk, ruimtelijk, helder van kleur, recht door zee, standvastig,  steeds weer vernieuwend, aards en vooral blijvend. Ik weet niet of hij hetzelfde werk had gemaakt, als hij in Venetië was geboren. In het werk van Tuytel ervaar ik minder de stijl en de sfeer van deze stad; zijn werk weerspiegelt zich eerder in het Nederlandse paviljoen van Rietveld in het Giardini. Hoewel….

Stel, even het werk van herman de vries aan de kant en dan de Tuytels op de vloer en aan de wand. Of nog beter, zijn werk samenvoegen met twee of drie Tiepolo’s . Wat zou dat een fantastische presentatie zijn: een Garden of order ingebed in de Garden of disorder in All the worlds futures van Okwui Enwezor. Hemel en aarde tesaam.

door Pim Burger

Posted in Spotlight

Een geleidelijke overgang tussen twee gebieden

DSCF6636

Irregular Shape – grey van Anna Barbara Kolbe. Het eerste werk dat ik bij binnenkomst van de galerie zie. Een veelkantige sculptuur, matwit met een zweem lichtgrijs, in het hoekje van de gang recht tegenover de voordeur. Het tafeltje waarop het werk is geplaatst, heeft een draadstructuur met  bovenop een glasplaat. Door de glasplaat verbindt het werk zich als het ware met de draadstructuur, raakt los van het grondvlak en lijkt te zweven. De lijnen en vlakken zetten zich door in de ruimte en verwijzen naar iets voorafgaands en wat nog komen gaat. Het werk ziet er zuiver, helder en klaar uit. Het is niets meer maar ook niets minder dan zichzelf met een vooralsnog ongrijpbare belofte in zich. De niet-parallelle, zich verwijderende of toelopende lijnen, de onregelmatige vlakken…..er is meer. Een verwijzing naar een ander gebied waar je als kijker nog geen weet van hebt.

Als je de galerie verder inloopt en de grote kamer binnengaat, staat daar de andere, grotere sculptuur Irregular Shape – blue op de juiste plek in de ruimte, voor het raam, mooi belicht door het binnenvallende licht van buiten. Links aan de witte wand werk van Vincent Uilenbroek. Transparante, in tweetallen opgehangen vellen waarvan de randen gespoten zijn in felle, tegengestelde kleuren.  Rechts aan de wand kleine schilderijen van Jasper van der Graaf. Ook bij hem contrasterende kleuren en vormen die ogenschijnlijk gemaakt zijn uit de losse pols, maar tegelijkertijd met een bepaalde systematiek.

Om de sculptuur heenlopen is door de beperkte ruimte moeilijk en niet noodzakelijk. Het innerlijk oog zorgt ervoor dat je de lijnen en vlakken van het werk in gedachten doortrekt en een idee krijgt hoe het werk er aan de achterkant uit zou kunnen zien.  Wat niet zichtbaar is, wordt door je verbeelding zichtbaar gemaakt. Als je de lijnen en vlakken verder doortrekt, naar rechts, links, onder of boven, is het zelfs voorstelbaar dat je een ander gebied betreedt, wat het oorspronkelijke beeld doet verdwijnen. Het is net als het lezen van een gedicht. Je geniet van de woordkeuze, de plaats van het woord in de zin, het ritme, de klank, de kleur. Ze brengen je naar een plek waar je eigen gedachten aan het werk kunnen, naar iets vergelijkends, voorafgaands of wat nog komen gaat.

In haar atelier heeft Anna Babara Kolbe nog het beeld Irregular Rainbow Gradient. Het woord gradiënt kende ik niet. Men bedoelt daarmee een geleidelijke overgang tussen twee gebieden. Dat kunnen bijvoorbeeld twee kleuren zijn of de overgang van de ene dichtheid naar de andere. Het is best mogelijk dat Vincent Uilenbroek dit verschijnsel door zijn werk met de transparante vellen heeft willen onderzoeken. En Jasper van der Graaf? Bij Esther Darley riep zijn werk bij wall paintings II associaties op met vormen uit de natuur, zoals ijskristallen, vloeistoffen of onregelmatige barsten. Structuren in een bevroren beweging. Ik weet alleen niet of het begrip gradiënt hier ook op van toepassing is.

Weer thuis en rustig de foto’s van de tentoonstelling bekijkend vraag ik me af of je Irregular Shape-grey een conceptueel werk mag noemen, een idee dat leidt tot verbinding. En geldt dat misschien ook voor de hele opzet van de tentoonstelling. Na verloop van tijd verdwijnt het weer en heeft het de kijker naar nieuwe horizonten geleid, op zoek naar die spreekwoordelijke pot met goud aan het einde van de regenboog.

door Pim Burger

Posted in Spotlight

Nieuwe expositie in Haarlemse galerie Rob de Vries roept lentegevoel op

Vincent Uilenbroek en Anna Barbara Kolbe bij hun werk. Foto United Photos/Sanne Tiebie

Door Nuel Gieles – 2-2-2015

HAARLEM – ’Nieuw’ heet de expositie bij Rob de Vries Gallery & Projects van recent werk van de Haarlemse kunstenaars Anna Barbara Kolbe (sculptuur) en Vincent Uilenbroek (sheets) en schilderijen van Jasper van der Graaf. De galerie bevindt zich in de Koolsteeg.

Anna Barbara Kolbe: ‘Ik meander bij het maken graag’

,,Wat de kunstenaars bindt, is deze keer niet zo belangrijk. Bij mij gaat alles op gevoel, net als bij een echte kunstenaar. Ik was wel toe aan een soort voorjaarsgevoel. Niet te moeilijk. Het geeft zo’n verwachtingsvolle, zomerse vooruitblik’’, aldus kunstenaargaleriehouder Rob de Vries.

Van der Graaf en Uilenbroek stonden vaker bij De Vries. Vorig voorjaar nog met Armando, Piet Tuytel en Jerry Keizer.

Periferie

Uilenbroek (1980) was op de basisschool al met graffiti en tekenen bezig. Hij deed één jaar Rietveld Academie, een jaar Kunsthochschule Berlin Weisensee en de Koninklijke Academie Beeldende Kunst Den Haag. ,,Mijn interesse ligt vooral in de periferie van het werk. Als je de spuitbus gebruikt, ontstaat er een kader op de muur, dat achterblijft als je het papier weghaalt’’, vertelt hij.

Engagement

Uilenbroek: ,,Het werk dat je hier kunt zien, is gemaakt op transparante vellen, waardoor de muur waar het tegen hangt, een ogenschijnlijk geschilderd vlak vormt. Idealiter moet je voor deze werken een mooie wand hebben, waardoor zowel binnen als buiten de ’lijst’ iets toevoegt. Voor deze fase sprak uit wat ik maakte meer politiek engagement, maar op een gegeven moment was daar de rek een beetje uit. Misschien had ik nog naar oorlogsgebieden gekund. Nou ja, ik ben geen journalist. Ik werk graag in mijn eigen atelier’’, besluit Uilenbroek.

Nonvorm

Anna Barbara Kolbe (1989) studeerde af aan de Akademie voor Kunst en Vorming St. Joost in Den Bosch. Bij De Vries zijn twee sculpturen van onregelmatig vorm te zien. ,,Ik doe een onderzoek naar ’nonvorm’, zonder connotatie met kubus, bol, cirkel of iets dergelijks. Ik ben geïnteresseerd in totaal willekeurige ruimtelijke veelvlakken. Een vorm die niets meer is. Maar er is geen vooropgezet doel. Ik hoef niet per se te slagen. Dat is voor mij niet zo interessant. Ik meander bij het maken graag. Zo ontstaan op zichzelf staande autonome beelden’’, vertelt de maakster die eerder exposeerde bij de Vishal en Nieuwe Vide.

Herkenbare associaties

De schilderijtjes van acryl op linnen van Jasper van der Graaf (1975) zullen ook worden gerangschikt in de categorie, maar in vergelijking met het werk van zijn collega-exposanten komen er in zijn oeuvre concrete vormen tegen die relatief herkenbare associaties oproepen met de realiteit. Sinds 2009 exposeert hij ten minste één keer per jaar bij De Vries. Zijn contourfiguren, veelal op een tint op tint-achtergrond, beeldt Van der Graaf ook af op grotere (muur)vlakken. Maar in de heldere galerieruimte van Rob de Vries komen ze op klein formaat prachtig tot hun recht.

Expositie

’Nieuw’, Anna Barbara Kolbe (sculptuur) en Vincent Uilenbroek (sheets) en Jasper van der Graaf (schilderijen) in Rob de Vries Gallery & Projects, Koolsteeg 2a, Haarlem t/m 22/2, vr-zo 13-17 uur.

Posted in Spotlight

De waarnemingshorizon

De verbeelding van het ongeziene

In 1913 schilderde Kazimir Malevitsj (1878-1935) op een linnen doek van 106,2 bij 106,2 centimeter een zwart vierkant. Voor hem was dat de ultieme uitdrukking van de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst. Het was in de periode dat Albert Einstein (1879-1955) zijn relativiteitstheorie over de zwaartekracht ontwikkelde die hij in 1916 als ‘algemene relativiteitstheorie’ publiceerde. In dat zelfde jaar definieerde Karl Schwarzschild (1873-1916) – what’s in a name - de waarnemingshorzion als oppervlak van een zwart gat in de ruimte, een zwaartekrachtsveld voor een puntmassa. Hij beschouwde die toen nog niet als fysisch realistisch.

Je kunt je afvragen of de ontdekking van zwarte gaten en het door Malevitsj geschilderde zwarte vierkant aan elkaar gerelateerd zijn. Wellicht zijn ze dat via de door de biochemicus en celbioloog Rupert Sheldrake (1942) geponeerde, en wetenschappelijk zo verguisde, morfische velden. De door Sheldrake veronderstelde ‘morfologische resonantie’ is een theorie over collectieve verbondenheid en komt er in de kern op neer dat een dier of mens eenvoudiger iets kan leren, als anderen voor hem dat zelfde ook hebben geleerd. In dit geval zou dat betekenen dat Malevitsj mede tot zijn zwarte vierkant is gekomen omdat in 1905 Einstein zijn ‘speciale relativiteitstheorie’ over de snelheid van het licht als maximale snelheid publiceerde en van daaruit die algemene relativiteitstheorie van 1916 ontwikkelde met de vondst van de waarnemingshorizon van de zwarte gaten van Schwarzschild als een van de uitkomsten. De verbeelding door Malevitsj van iets wat nog niet was waargenomen noch ontdekt of bewezen met betrekking tot ons begrip van wat we ruimtetijd noemen, is op zijn minst opmerkelijk, al kun je zeggen dat een zwart gat rond wordt voorgesteld en niet vierkant, en dat in de traditionele constructivistische schilderkunst een vierkant in de vorm van een toenemende veelhoek weliswaar op een cirkel kan lijken, maar nooit een cirkel kan worden. Overigens stelde de neo-constructivist Berend Hendriks (1918-1997) de gelijkzijdige driehoek – en niet het vierkant – voor als het rationeel verklaarbare en beperkt menselijke tegenover de cirkel die het onbeperkte, oneindige, onbestemde en spirituele representeerde. Naar zijn opvatting konden driehoek en cirkel elkaar weliswaar naderen, maar nooit samenvallen. Desalniettemin kunnen we in die nadering een poging zien om het ongekende voor te stellen. En waar de natuurkunde dan een rationele bewijsvoering zoekt, vindt de kunst een mentale verbeelding, een metafysica.

Joseph Kusuth (1945) – de ‘godfather’ van de conceptuele kunst – verklaarde dat alle kunst na Marcel Duchamp (1887-1968) conceptueel van aard is. Daaruit volgt dat kunst als idee vooral een idee is ter vervanging van de filosofie als een vorm van kritisch-analytische levensbeschouwing. Kosuth poneerde zijn essay ‘Art as Idea as Idea’ in zijn publicatie ‘Art after Philospohy’ in 1969. Het is wonderlijk je te realiseren dat het begrip conceptuele kunst nog geen 50 jaar bestaat. Sol LeWitt (1928-2007) publiceerde zijn ‘Paragraphs on Conceptual Art’ in het zomernummer van Artforum in 1967.

Hoe ideematig de kunst dan ook moge zij, het ten uitvoer brengen van de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst projecteert steeds opnieuw het ongeziene op de waarnemingshorizon, die almaar uitdijt en zich blijft uitbreiden met wat je zou kunnen ervaren als luchtspiegelingen, reflecties van ons denken.

Hoe ingewikkeld dit ook mag klinken, in wezen zijn de kunstwerken die aan gedachtegoed als dit worden ontleend in hun visuele uitwerking van een verbluffende eenvoud. Hun complexiteit is erin gelegen dat ze de intentie hebben de materie te overstijgen en in de waarneming iets te veroorzaken dat Wassily Kandinsky (1866-1944) destijds, in 1912, een jaar voor het zwarte vierkant,  dat ‘geistige’ in de kunst noemde, een vorm van vergeestelijking. Maar wat verstaan we nu precies onder die ‘vergeestelijking’ in wat we ‘geometrisch abstracte kunst’ noemen. Kandinksy had het over ‘innerlijke klank’ en ‘seelische Vibration’ waarmee wordt verondersteld dat het gematerialiseerde kunstwerk een materieloze uitwerking in de mens kan veroorzaken. Nu wordt in de kunstbeleving het woord ‘ziel’ vaak gebruikt dat niets meer betekent dan wind, lucht, geur, adem, een vervluchtiging van voorbijgaande aard die tegelijkertijd altijddurend en oneindig zou zijn. Dat kan je volkomen koud laten of je kunt er volkomen van ondersteboven zijn, wat per mens verschilt.

Je kunt zeggen dat de kunst net zoveel hoedanigheden kent als er kunstenaars zijn, maar even waar is dat die hoedanigheden ook nog eens variëren al naar gelang de mensen die deze ondergaan. Wat betreft de kunstenaars die in deze tentoonstelling bij elkaar zijn gebracht: ze mogen zich ogenschijnlijk nog zo overeenkomstig uitdrukken, het zijn uiteindelijk de verschillen die tellen, zoals samensteller Rob de Vries terecht stelt. Over de overeenkomsten kunnen we kort zijn: het zijn er vele, maar ze omvatten met name materiële aspecten. De verschillen hebben betrekking op de persoonlijke noodzaak om het werk te maken en de intenties die ermee worden nagestreefd. Naar mijn idee verbeeldt iedere kunstenaar in deze tentoonstelling een idee van zijn plaats in het bestaan, in de ruimte en in de tijd. Het is een positiebepaling die in niets overeenstemt met wat we hanteren als een global positioning system, maar die voorstelt om de wereld, het leven en het bestaan vanuit een specifieke optiek te bekijken en een verhouding te vinden met wat daar tegenover staat. Er wordt een wisselwerking gezocht tussen het kunstwerk en het standpunt van waaruit het wordt waargenomen. Daarmee wordt een afstand overbrugd, een tussenruimte die de Amerikaanse kunstenaar Robert Barry (1936) omschrijft als ‘nothing’, door hem gekarakteriseerd als ‘the most potent thing in te world’. Het kunstwerk veroorzaakt een energetisch veld tussen zichzelf en de kijker, een wederkerigheid tussen object en subject veroorzakend. Belangrijk is dat je met distantie moet kijken om tot toenadering te kunnen komen. Het kunstwerk stelt voor dat je er een verhouding mee aangaat, dat je je verstaat met de verbeelding van het ongekende. Robert Barry vat dat op als de ongeziene ruimte rondom de objecten. Daarom liet hij ook geen objecten zien, maar verbeeldde die ‘ruimte rondom’, een gewaarwording die zo indringend door de Franse auteur Georges Perec (1936-1982) wordt ondergaan in zijn boek ‘Espèces d’espaces’, in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede als ‘Ruimten rondom’.

Je kunt over kunst eigenlijk alleen maar de verkeerde vragen stellen, want het antwoord erop is wat iedereen wel weet. Wat een kunstwerk is, is vooral een stomme vraag. Het is gewoon een schilderij, een beeld, een tekening, een ets, een foto, een film, een computeranimatie, een performance, een gebeurtenis, een installatie, een handeling, een idee.

Bij kunst gaat het erom hoe we ons verhouden tot de voorstelling van ons bestaan zoals ons dat door de kunstenaar wordt voorgehouden. Hij stelt voor hoe we ons leven en het bestaan kunnen benaderen. De aard van het menselijk bestaan wordt in het kunstwerk verbeeld. Het gaat over de voortdurend veranderende verhoudingen die we onderling aangaan en over de waarachtigheid ervan. De vraag is niet wat kunst betekent, maar in hoeverre het kunstwerk waarachtig en overtuigend is in de verbeelding die we ondergaan. Een kunstwerk heeft nooit een anekdotische betekenis die je kunt navertellen. Hooguit bestaat er buiten het kunstwerk een anekdotische aanleiding waardoor de kunstenaar mede is gemotiveerd het te maken. Uit die motivatie komt de intentie van de kunstenaar voort. Een kunstwerk is de verbeelding van een beleving die je niet kunt navertellen. Dat verschijnsel kent geen begin en einde, het is niet begonnen en houdt ook niet op. Het is een cyclische spiraal die alsmaar voortduurt en waarin we opgaan. Je staat ervoor, je kijkt ernaar en je lost op. Kunst is een oplossing, en anders dan in de homeopathie is het geen verdunning, maar een concentraat, niet in de zin van een residu, een overblijfsel of rest, maar een substantiële essentie.

Alex de Vries

Posted in Spotlight

Het innerlijk oog

Je gaat anders naar kunst kijken, als je ook daadwerkelijk potlood en kwast ter hand neemt. Niet om kunstenaar te worden – dat laat ik graag aan vaklui over – , maar om te ervaren dat er meer is dan je op het eerste oog ziet. Daarom nam ik enige tijd geleden teken- en schilderlessen bij Piet Tuytel.

Een bijzondere ervaring om in Tuytels atelier aan een stilleven van een drietal potjes te beginnen en door zijn aandachtige aanwezigheid te leren wat het betekent om geconcentreerd en langzaam te kijken. Zijn aanwijzingen zijn miniem, maar doeltreffend. Het gaat hem er niet om of het een natuurgetrouw plaatje wordt, maar om het gewaarworden van ruimte.

Heel langzaam laat hij zo het innerlijk oog kantelen van de ruimtelijkheid in het object naar de ruimte die het object in zijn omgeving inneemt. Tot slot vraagt hij je specifiek naar de ruimte tussen de potjes te kijken en die te tekenen: vormgeven door de ruimte te tekenen.

Als hij je dan ook werk laat zien van Morandi en Beckmann, dan begrijp je wat kleur, lijn en vorm met ruimte doen en raak je enigszins aan wat Tuytel bezielt.

Hoe fascinerend is het om dan bij Rob de Vries nieuw werk van de kunstenaar te zien, waarbij de ruimte als kunstwerk mee ademt. Het is soms alsof je in het werk van Tuytel rondloopt.

Ik hoorde laatst de uitspraak dat grote voetballers het voetballen opnieuw uitvinden. Ik denk dat dat bij grote beeldhouwers net zo werkt.

door Pim Burger

Posted in Spotlight

Een oase in de chaos,

Ditty Ketting schilderij nr: 292 30/30 cm 2007

dat is iedere keer weer het gevoel dat ik krijg bij het werk van Ditty Ketting.
Ik hou van deze overzichtelijke doeken met z’n prachtige kleuren.
Hoeveel variaties zal Ditty Ketting nog weten te bedenken, ik blijf het volgen!!
Gelukkig ben ik de trotse bezitter van schilderij nummer 277, maar ga nu dromen van schilderij nummer…. (een juweeltje).

Rob Mendel

Posted in Spotlight

Een wit paard

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en het is groen. Dat spelletje spelen we nog weleens als wij met de kleinkinderen onderweg zijn van A naar B. Vervolgens zoek je naar vormen in de omgeving die daarvoor in aanmerking kunnen komen.  Als je het raadt, heb je een geluksgevoel: jij bent aan de beurt om een ander voorwerp uit je omgeving te kiezen.

Soms kun je raden tot je een ons weegt en dat betekent opgeven. Dit spelletje kan zich eindeloos herhalen. Het lijkt nooit te vervelen en heeft iets van je richten op,  je verplaatsen in het denken van de ander. Je kijkt naar de bewegingen van het hoofd en de ogen van degene die de kleur noemt om vervolgens de omgeving af te ‘tasten’. Je probeert te ontdekken welk object deze op het oog heeft en zo te zien wat de ander ziet.

Ik ben op zoek naar meer informatie over Adam Colton. Ik ken zijn naam al uit de catalogus van de Contourtentoonstelling (1985) in het Prinsenhof in Delft. Een beeldhouwer die relevant wordt geacht wat betreft vernieuwingen in de kunst.

De naam van Jos van Merendonk duikt op. Aan onze muur hangen twee mooie doeken van hem. De groene lijnen die hij over het witte linnen trekt, nodigen je telkens weer uit zijn bewegingen en zijn denken te volgen. Zijn ze wat ze zijn? Lijnen louter gebaseerd op het patroon van een slinger,een ovaal en een Z? Maar waarom word je dan op zijn site meegenomen door de taal waarmee hij zijn werk doordesemt?

Hoe zit dat met het werk van Adam Colton? De getekende lijnen van Adam Colton zijn anders dan die van Jos van Merendonk. Ik begrijp dat ze een voorbode zijn van ruimtelijk werk. Ze gedragen zich tegenstrijdig in het gebied tussen vlak en ruimte. In de catalogus van Het Bonnefantenmuseum uit 1990 schrijft Riet de Leeuw dat als je ruimte samendrukt en die vervolgens uitrekt, je uiteindelijk een lijn krijgt. Adam Colton spreekt van een platte ruimte. Als ik de litho uit 1985 bekijk die ik sinds kort in huis heb, word ik langzaam gewaar wat hij bedoelt.

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en het is wit met onderbroken, fragiele potloodlijnen. De lijnen lopen evenwijdig en zorgen voor een oneindige diepte net zoals in het werk van Piranesi. Ze zorgen voor een zichtbare structuur, maar laten tegelijk een binnenruimte zien. Vorm en inhoud lijken samen te vloeien. Barbara Hepworth heeft de binnenruimte van sculpturen geopend, maar ze blijft voor mij op afstand. Adam Colton gaat verder. Hij komt je tegemoet en brengt je door zijn werk tot nadenken over hoe je kijkt, wat er belangrijk is in het leven en hoe je werkelijkheid en binnenwereld met elkaar kunt verbinden.

‘Zittend op een boot, op een rivier, in een dal, zie je tussen de steile rotsen boven je een wit paard over de kloof springen en dan is het verdwenen. Het waarom is je niet duidelijk. Het enige zekere is dat je heel even het paard zag en dat veranderde je manier van denken….. ‘(naar een Chinese fabel uit het boek Ai Weiwei van Barnaby Martin)

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Het is universeel wit en beheerst de veelheid  door stil in het moment te zijn.

door Pim Burger

Posted in Spotlight

Tijd voor Thoben

Veerle Thoben

Veerle Thoben

Lees ik in de Volkskrant van woensdag 8 mei 2013 dat toekomstige generaties straks minder in theater, museum of concertzaal te vinden zijn, als de cultuursector zichzelf niet urgenter maakt. En dan komt galerie Rob de Vries met werk van Veerle Thoben. Niet urgent, maar wat een prachtig lichtspel. In een vrijwel lege ruimte beweegt een lichtbaan zich langzaam over de muur. In die baan verschijnen en verdwijnen de drie dimensies van een witte gesloten kubus die in het midden van de ruimte staat opgesteld. Aan de andere muur een doek van witgoud. ‘De tijd gaat voorbij, licht en schaduw veranderen voortdurend. Iets van dat proces wil ik in mijn werk registreren, vastleggen van de vluchtigheid van het moment’, schrijft Veerle Thoben. De zon schijnt. Thuis, liggend op de bank, ziet mijn kleindochter het kabbelend water de zonnestralen weerspiegelen op het witte plafond. Schitterende lichtjes worden tevoorschijn getoverd. Ze wijst.
Cultuur moet een plek krijgen in de hoofden van mensen, en in hun agenda, sluit de Volkskrant af. Ik realiseer me dat zich in het werk van Veerle Thoben nog een andere dimensie aandient.
Ze geeft je tijd en ruimte.

door Pim Burger.

Posted in Spotlight