De waarnemingshorizon

De verbeelding van het ongeziene

In 1913 schilderde Kazimir Malevitsj (1878-1935) op een linnen doek van 106,2 bij 106,2 centimeter een zwart vierkant. Voor hem was dat de ultieme uitdrukking van de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst. Het was in de periode dat Albert Einstein (1879-1955) zijn relativiteitstheorie over de zwaartekracht ontwikkelde die hij in 1916 als ‘algemene relativiteitstheorie’ publiceerde. In dat zelfde jaar definieerde Karl Schwarzschild (1873-1916) – what’s in a name - de waarnemingshorzion als oppervlak van een zwart gat in de ruimte, een zwaartekrachtsveld voor een puntmassa. Hij beschouwde die toen nog niet als fysisch realistisch.

Je kunt je afvragen of de ontdekking van zwarte gaten en het door Malevitsj geschilderde zwarte vierkant aan elkaar gerelateerd zijn. Wellicht zijn ze dat via de door de biochemicus en celbioloog Rupert Sheldrake (1942) geponeerde, en wetenschappelijk zo verguisde, morfische velden. De door Sheldrake veronderstelde ‘morfologische resonantie’ is een theorie over collectieve verbondenheid en komt er in de kern op neer dat een dier of mens eenvoudiger iets kan leren, als anderen voor hem dat zelfde ook hebben geleerd. In dit geval zou dat betekenen dat Malevitsj mede tot zijn zwarte vierkant is gekomen omdat in 1905 Einstein zijn ‘speciale relativiteitstheorie’ over de snelheid van het licht als maximale snelheid publiceerde en van daaruit die algemene relativiteitstheorie van 1916 ontwikkelde met de vondst van de waarnemingshorizon van de zwarte gaten van Schwarzschild als een van de uitkomsten. De verbeelding door Malevitsj van iets wat nog niet was waargenomen noch ontdekt of bewezen met betrekking tot ons begrip van wat we ruimtetijd noemen, is op zijn minst opmerkelijk, al kun je zeggen dat een zwart gat rond wordt voorgesteld en niet vierkant, en dat in de traditionele constructivistische schilderkunst een vierkant in de vorm van een toenemende veelhoek weliswaar op een cirkel kan lijken, maar nooit een cirkel kan worden. Overigens stelde de neo-constructivist Berend Hendriks (1918-1997) de gelijkzijdige driehoek – en niet het vierkant – voor als het rationeel verklaarbare en beperkt menselijke tegenover de cirkel die het onbeperkte, oneindige, onbestemde en spirituele representeerde. Naar zijn opvatting konden driehoek en cirkel elkaar weliswaar naderen, maar nooit samenvallen. Desalniettemin kunnen we in die nadering een poging zien om het ongekende voor te stellen. En waar de natuurkunde dan een rationele bewijsvoering zoekt, vindt de kunst een mentale verbeelding, een metafysica.

Joseph Kusuth (1945) – de ‘godfather’ van de conceptuele kunst – verklaarde dat alle kunst na Marcel Duchamp (1887-1968) conceptueel van aard is. Daaruit volgt dat kunst als idee vooral een idee is ter vervanging van de filosofie als een vorm van kritisch-analytische levensbeschouwing. Kosuth poneerde zijn essay ‘Art as Idea as Idea’ in zijn publicatie ‘Art after Philospohy’ in 1969. Het is wonderlijk je te realiseren dat het begrip conceptuele kunst nog geen 50 jaar bestaat. Sol LeWitt (1928-2007) publiceerde zijn ‘Paragraphs on Conceptual Art’ in het zomernummer van Artforum in 1967.

Hoe ideematig de kunst dan ook moge zij, het ten uitvoer brengen van de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst projecteert steeds opnieuw het ongeziene op de waarnemingshorizon, die almaar uitdijt en zich blijft uitbreiden met wat je zou kunnen ervaren als luchtspiegelingen, reflecties van ons denken.

Hoe ingewikkeld dit ook mag klinken, in wezen zijn de kunstwerken die aan gedachtegoed als dit worden ontleend in hun visuele uitwerking van een verbluffende eenvoud. Hun complexiteit is erin gelegen dat ze de intentie hebben de materie te overstijgen en in de waarneming iets te veroorzaken dat Wassily Kandinsky (1866-1944) destijds, in 1912, een jaar voor het zwarte vierkant,  dat ‘geistige’ in de kunst noemde, een vorm van vergeestelijking. Maar wat verstaan we nu precies onder die ‘vergeestelijking’ in wat we ‘geometrisch abstracte kunst’ noemen. Kandinksy had het over ‘innerlijke klank’ en ‘seelische Vibration’ waarmee wordt verondersteld dat het gematerialiseerde kunstwerk een materieloze uitwerking in de mens kan veroorzaken. Nu wordt in de kunstbeleving het woord ‘ziel’ vaak gebruikt dat niets meer betekent dan wind, lucht, geur, adem, een vervluchtiging van voorbijgaande aard die tegelijkertijd altijddurend en oneindig zou zijn. Dat kan je volkomen koud laten of je kunt er volkomen van ondersteboven zijn, wat per mens verschilt.

Je kunt zeggen dat de kunst net zoveel hoedanigheden kent als er kunstenaars zijn, maar even waar is dat die hoedanigheden ook nog eens variëren al naar gelang de mensen die deze ondergaan. Wat betreft de kunstenaars die in deze tentoonstelling bij elkaar zijn gebracht: ze mogen zich ogenschijnlijk nog zo overeenkomstig uitdrukken, het zijn uiteindelijk de verschillen die tellen, zoals samensteller Rob de Vries terecht stelt. Over de overeenkomsten kunnen we kort zijn: het zijn er vele, maar ze omvatten met name materiële aspecten. De verschillen hebben betrekking op de persoonlijke noodzaak om het werk te maken en de intenties die ermee worden nagestreefd. Naar mijn idee verbeeldt iedere kunstenaar in deze tentoonstelling een idee van zijn plaats in het bestaan, in de ruimte en in de tijd. Het is een positiebepaling die in niets overeenstemt met wat we hanteren als een global positioning system, maar die voorstelt om de wereld, het leven en het bestaan vanuit een specifieke optiek te bekijken en een verhouding te vinden met wat daar tegenover staat. Er wordt een wisselwerking gezocht tussen het kunstwerk en het standpunt van waaruit het wordt waargenomen. Daarmee wordt een afstand overbrugd, een tussenruimte die de Amerikaanse kunstenaar Robert Barry (1936) omschrijft als ‘nothing’, door hem gekarakteriseerd als ‘the most potent thing in te world’. Het kunstwerk veroorzaakt een energetisch veld tussen zichzelf en de kijker, een wederkerigheid tussen object en subject veroorzakend. Belangrijk is dat je met distantie moet kijken om tot toenadering te kunnen komen. Het kunstwerk stelt voor dat je er een verhouding mee aangaat, dat je je verstaat met de verbeelding van het ongekende. Robert Barry vat dat op als de ongeziene ruimte rondom de objecten. Daarom liet hij ook geen objecten zien, maar verbeeldde die ‘ruimte rondom’, een gewaarwording die zo indringend door de Franse auteur Georges Perec (1936-1982) wordt ondergaan in zijn boek ‘Espèces d’espaces’, in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede als ‘Ruimten rondom’.

Je kunt over kunst eigenlijk alleen maar de verkeerde vragen stellen, want het antwoord erop is wat iedereen wel weet. Wat een kunstwerk is, is vooral een stomme vraag. Het is gewoon een schilderij, een beeld, een tekening, een ets, een foto, een film, een computeranimatie, een performance, een gebeurtenis, een installatie, een handeling, een idee.

Bij kunst gaat het erom hoe we ons verhouden tot de voorstelling van ons bestaan zoals ons dat door de kunstenaar wordt voorgehouden. Hij stelt voor hoe we ons leven en het bestaan kunnen benaderen. De aard van het menselijk bestaan wordt in het kunstwerk verbeeld. Het gaat over de voortdurend veranderende verhoudingen die we onderling aangaan en over de waarachtigheid ervan. De vraag is niet wat kunst betekent, maar in hoeverre het kunstwerk waarachtig en overtuigend is in de verbeelding die we ondergaan. Een kunstwerk heeft nooit een anekdotische betekenis die je kunt navertellen. Hooguit bestaat er buiten het kunstwerk een anekdotische aanleiding waardoor de kunstenaar mede is gemotiveerd het te maken. Uit die motivatie komt de intentie van de kunstenaar voort. Een kunstwerk is de verbeelding van een beleving die je niet kunt navertellen. Dat verschijnsel kent geen begin en einde, het is niet begonnen en houdt ook niet op. Het is een cyclische spiraal die alsmaar voortduurt en waarin we opgaan. Je staat ervoor, je kijkt ernaar en je lost op. Kunst is een oplossing, en anders dan in de homeopathie is het geen verdunning, maar een concentraat, niet in de zin van een residu, een overblijfsel of rest, maar een substantiële essentie.

Alex de Vries

Posted in Spotlight